TP neerlandais
pour apprendre les TP neerlandophone
pour apprendre les TP neerlandophone
-
- 1 / 70
-
Cartes-fiches
commencer
beginnen begon begonnen begonnen
comprendre
begrijpen begreep begrepen begrepen
visiter
bezoeken bezocht bezochten bezocht
rester
blijven bleef bleven gebleven
casser
breken brak braken gebroken
apporter
bregen bracht brachten gebracht
penser
denken dacht dachten gedacht
faire
doen deed deden gedaan
porter
dragen droeg droegen gedragen
boire
drinken dronk dronken gedronken
plonger
duiken dook doken gedoken
manger
eten at aten gegeten
aller
gaan ging gingen gegaan
donner
geven gaf gaven gegeven
pendre
hangen hing hingen gehangen
avoir
hebben had hadden gehad
tenir/garder (aimer)
houden hield hielden gehouden
choisir
kiezen koos kozen gekozen
regarder
kijken keek keken gekeken
grimper
klimmen klom klommen geklommen
venir
komen kwam kwamen gekomen
acheter
kopen kocht kochten gekocht
recevoir
krijgen kreeg kregen gekregen
pouvoir (capacité)
kunnen kon konden gekund
rire
lachen lachte lachten gelachen
laisser
laten liet lieten gelaten
lire
lezen las lazen gelezen
être couché / se trouver
liggen lag lagen gelegen
courir, marcher
lopen liep liepen gelopen
devoir
moeten moest moesten gemoeten
prendre
nemen nam namen genomen
déjeuner
ontbijten ontbeet ontbeten ontbeten
rouler
rijden reed reden gereden
crier
roepen riep riepen geroepen
tirer (avec une arme)
schieten schoot schoten geschoten
briller
schijnen scheen schenen geschenen
écrire
schrijven schreef schreven geschreven
frapper
slaan sloeg sloegen geslagen
dormir
slapen sliep sliepen geslapen
fermer
sluiten sloot sloten gesloten