TP néerlandais 1 à 50
Les différents temps primitifs des verbes irréguliers en Néerlandais.
Les différents temps primitifs des verbes irréguliers en Néerlandais.
-
- 1 / 50
-
Flashcards
cuire
bakken/bakte-bakten/gebakken
commencer
beginnen/begon-begonnen/begonnen
enterrer
begraven/begroef-begroeven/begraven
comprendre
begrijpen/begreep-begrepen/begrepen
ranger
bergen/borg-borgen/geborgen
décider
besluiten/besloot-besloten/besloten
ordonner
bevelen/beval-bevalen/bevolen
visiter
bezoeken/bezocht-bezochten/bezocht
prier
bidden/bad-baden/gebeden
offrir
bieden/bood-bode/geboden
mordre
bijten/beet-beten/gebeten
lier
binden/bond-bonden/gebonden
souffler
blazen/blies-bliezen/geblazen
se révéler, être évident
blijken/bleek-bleken/is gebleken
rester
blijven/bleef-bleven/gebleven
briller
blinken/blonk-blonken/geblonken
briser
breken/brak-braken/gebroken
apporter
brengen/bracht-brachten/gebracht
brasser
brouwen/brouwde-brouwwden/gebrouwen
courber
buigen/boog-bogen/gebogen
penser
denken/dacht-dachten/gedacht
faire
doen/deed-deden/gedaan
porter
dragen/droeg-droegen/gedragen
pousser, flotter
drijven/dreef-dreven/gedreven
presser, pénétrer
dringen/drong-drongen/gedrongen
boire
drinken/dronk-dronken-gedronken
plonger
duiken/dook-doken/gedoken
forcer
dwingen/dwong-dwongen/gedwongen
manger
eten/at-aten/gegeten
aller
gaan/ging-gingen/is gegaan
valoir
gelden/gold-golden/gegolden
guérir
genezen/genas-genazen/genezen
jouir
genieten/genoot-genoten/genoten
donner
geven/gaf-gaven/gegeven
verser
gieten/goot-goten/gegoten
glisser
glijden/gleed-gleden/gegleden
creuser
graven/groef-groeven/gegraven
saisir
grijpen/greep-grepen/gegrepen
pendre
hangen/hing-hingen/gehangen
avoir
hebben/had-hadden/gehad