TP neerlandais

pour apprendre les TP neerlandophone

pour apprendre les TP neerlandophone

Ces cartes d'apprentissage aident à apprendre le français à un niveau avancé, avec un focus sur la conjugaison des verbes. Elles couvrent des verbes courants comme "être", "avoir", et "aller", ainsi que des verbes moins fréquents comme "disparaître" et "interdire". La plateforme prend également en charge l'apprentissage inversé, en commençant par la traduction. Ces flashcards sont utiles pour les étudiants qui veulent améliorer leur maîtrise du français, en particulier ceux qui se préparent pour des examens ou qui cherchent à communiquer plus efficacement.
Karten
70
Lernende
2
Sprache
Deutsch
Kategorie
Übrige
Stufe
Andere
Erstellt / Aktualisiert
17.02.2026 / 17.02.2026

Lernkarten

commencer

beginnen begon begonnen begonnen

comprendre

begrijpen begreep begrepen begrepen

visiter

bezoeken bezocht bezochten bezocht

rester

blijven bleef bleven gebleven

casser

breken brak braken gebroken

apporter

bregen bracht brachten gebracht

penser

denken dacht dachten gedacht

faire

doen deed deden gedaan

porter

dragen droeg droegen gedragen

boire

drinken dronk dronken gedronken

plonger

duiken dook doken gedoken

manger

eten at aten gegeten

aller

gaan ging gingen gegaan

donner

geven gaf gaven gegeven

pendre

hangen hing hingen gehangen

avoir

hebben had hadden gehad

tenir/garder (aimer)

houden hield hielden gehouden

choisir

kiezen koos kozen gekozen

regarder

kijken keek keken gekeken

grimper

klimmen klom klommen geklommen

venir

komen kwam kwamen gekomen

acheter

kopen kocht kochten gekocht

recevoir

krijgen kreeg kregen gekregen

pouvoir (capacité)

kunnen kon konden gekund

rire

lachen lachte lachten gelachen

laisser

laten liet lieten gelaten

lire

lezen las lazen gelezen

être couché / se trouver

liggen lag lagen gelegen

courir, marcher

lopen liep liepen gelopen

devoir

moeten moest moesten gemoeten

prendre

nemen nam namen genomen

déjeuner

ontbijten ontbeet ontbeten ontbeten

rouler

rijden reed reden gereden

crier

roepen riep riepen geroepen

tirer (avec une arme)

schieten schoot schoten geschoten

briller

schijnen scheen schenen geschenen

écrire

schrijven schreef schreven geschreven

frapper

slaan sloeg sloegen geslagen

dormir

slapen sliep sliepen geslapen

fermer

sluiten sloot sloten gesloten

Lernen